Regelprocessen

Hieronder volgt een beschrijving van de verschillende regelprocessen.

 

Regeling via CO2 sensor

De CO2-sensor meet het CO2-niveau in de ruimte en zendt dit door naar de besturing. De besturing past de uitwisseling van lucht vervolgens aan overeenkomstig het CO2   gehalte in de ruimte. Het energieverbruik van de unit wordt zo tot het minimum beperkt.

LUCHTSTROOMREGELING (afbeelding 1)
Over het algemeen kan worden ingesteld dat de unit een gereduceerde standaardluchtstroming (min) als basisventilatie heeft. Wanneer het CO2-niveau in de ruimte de geprogrammeerde onderste limiet (A) overschrijdt, zal de CO2-sensor het overnemen en de luchtstroming verhogen. Indien het CO2-niveau in het vertrek blijft stijgen, wordt de luchtstroming lineair verhoogd totdat deze de maximale luchtstroming (max) bij de bovenste limiet voor het CO2-niveau (B) en hoger bereikt.

STARTEN, STOPPEN EN LUCHTSTROOMREGELING (afbeelding 2)

Indien de unit volledig door de CO2-sensor wordt bestuurd, start deze met iets meer dan de standaardluchtstroming (min+x) wanneer het CO2-niveau de geprogrammeerde onderste limiet plus 10% (A+10%) overschrijdt.

 

Indien het CO2-niveau in de ruimte blijft stijgen, wordt de luchtstroming lineair verhoogd totdat deze de maximale luchtstroming (max) bij de bovenste limiet voor het CO2-niveau (B) en hoger bereikt.

Wanneer het CO2-niveau terugvalt tot onder de geprogrammeerde onderste limiet (A), dan stopt de unit weer.

 

Afbeelding 1
Luftmængdestyring CO2 niveau

Afbeelding 2
Decentral ventilation luftmængdestyring

 

Regeling via bewegingssensor (PIR)

Regeling via bewegingssensor (PIR) 
Het starten en stoppen van de ventilatie-unit wordt geregeld door een signaal van een PIR-sensor. De PIR-sensor registreert een beweging in het bereik van de sensor en stuurt een startsignaal naar de unit. De unit start in normaal bedrijf met de bijbehorende geprogrammeerde luchtstroming en inblaastemperatuur. Wanneer het signaal wegvalt, stopt de unit na de voorgeprogrammeerde nadraaitijd. Het PIR-signaal wordt vaak gebruikt om de werking van de unit te wijzigen van basisventilatie in normaal bedrijf wanneer zich in het sensorgebied personen bevinden.
 

Regeling via hygrostaat

Regeling via hygrostaat
Een hygrostaat registreert de relatieve luchtvochtigheid en verstuurt vervolgens een start- of stopsignaal naar de ventilatie-unit. Het start-/stopsignaal kan worden ingesteld. De luchtvochtigheid beïnvloedt de lengte van hygroscopische kunststofdeeltjes. Afhankelijk van het vochtgehalte activeren de deeltjes een contact dat het signaal afgeeft. Wanneer de gewenste relatieve luchtvochtigheid wordt overschreden/onderschreden, verstuurt de hygrostaat een start-/stopsignaal naar de ventilatie-unit. Hygrostaten worden vaak gebruikt om de werking van de unit te wijzigen van basisventilatie in volledig bedrijf wanneer de gewenste relatieve luchtvochtigheid wordt overschreden.

Condensverwerking

Condensvocht
Door de hoge warmteterugwinning van maximaal 95% vindt in de tegenstroomwarmtewisselaar een sterke afkoeling plaats. Hierdoor kan het vocht in de afzuiglucht in de wisselaar condenseren. Het condens wordt opgevangen in een condensbak. Een vlotter registreert automatisch het condens in de condensbak. Om storingen te voorkomen, kan het condens uit de unit naar een afvoer worden geleid. De ventilatie-unit kan eventueel worden voorzien van een volautomatische condenspomp.

Vorstbescherming

Wanneer de buitentemperatuur het vriespunt bereikt, daalt de afvoertemperatuur achter de tegenstroomwarmtewisselaar. Hierdoor kan condensvocht in de warmtewisselaar bevriezen. De Airlinq-besturing voorkomt ijsvorming efficiënt door meer lucht af te zuigen en minder lucht aan te voeren. Dit zorgt voor een stijging van de afvoertemperatuur. Indien dit proces niet doeltreffend is tegen ijsvorming in de warmetewisselaar, beschermt de Airlinq-besturing de unit door deze stil te leggen.

‘Voorverwarming’ met elektrische voorverwarmingsbatterij
Als de ventilatie-unit is uitgerust met een elektrische voorverwarmingsbatterij, warmt deze de buitenlucht op voordat de lucht in de tegenstroomwarmtewisselaar wordt geblazen. Op die manier wordt ijsvorming in de warmtewisselaar voorkomen. Om de ventilatie in balans te houden, regelt de Airlinq-besturing de temperatuursomstandigheden in de unit. Dat betekent dat de voorverwarmingsbatterij alleen wordt ingeschakeld wanneer dat nodig is. Hierdoor kan het energieverbruik tot een minimum worden beperkt.

‘Virtuele voorverwarming’ met elektrische voorverwarmer
Voor de bescherming tegen ijsvorming kunnen ook een elektrische verwarmingsbatterij en de functie ‘Virtuele voorverwarming’ worden gebruikt. Via de bypassklep wordt een deel van de buitenlucht buiten de tegenstroomwarmtewisselaar omgeleid. De verwarmer warmt de buitenlucht op tot de gewenste inblaastemperatuur is bereikt. De afzuiglucht in de warmtewisselaar koelt niet al te sterk af, waardoor ijsvorming wordt voorkomen. Deze taak kan ook worden uitgevoerd met een naverwarmingsbatterij op water.

Gecontroleerde inblaastemperatuur

Ventilatie met gecontroleerde inblaastemperatuur

 

Voor een optimale warmteterugwinning zijn de ventilatie-units van Airmaster voorzien van zeer efficiënte tegenstroomwarmtewisselaars. Een naverwarmingsbatterij wordt alleen gebruikt om het minimale warmteverlies bij de ventilatie te compenseren. Zolang de inblaastemperatuur binnen acceptabele grenzen blijft, wordt standaard een balansventilatie in stand gehouden.

 

Wanneer de gewenste inblaastemperatuur bij een lage buitentemperatuur niet in stand kan worden gehouden, verlaagt de Airlinq-besturing de aanvoer van verse lucht en wordt de afvoer van lucht verhoogd. Op die manier wordt de lage temperatuur gecompenseerd. De functie is ook actief als de naverwarmingsbatterij een capaciteit van 100% heeft

 

Elektrische naverwarmingsbatterij
De balans tussen verse toevoerlucht en afzuiglucht wordt, ook bij een zeer lage buitentemperatuur, door een naverwarmingsbatterij in stand gehouden. Een elektrische naverwarmingsbatterij warmt de verse lucht na de tegenstroomwarmtewisselaar op tot de gewenste inblaastemperatuur. De Airlinq-besturing controleert de temperatuursomstandigheden in de unit en schakelt indien nodig automatisch de naverwarmingsbatterij in.

Naverwarmingsbatterij op water
In de ventilatie-units kan in plaats van een elektrische naverwarmingsbatterij ook een naverwarmingsbatterij op water worden gemonteerd. Met een naverwarmingsbatterij op water kan de gewenste inblaastemperatuur ook worden bereikt. De grote oppervlakken van de naverwarmingsbatterij op water zorgen voor een goede overdracht van de warmte-energie naar de inblaaslucht.

 

De Airlinq-besturing start en stopt de naverwarmingsbatterij op water door middel van een motorgestuurd ventiel. De naverwarmingsbatterij op water wordt in de ventilatie-unit ingebouwd of geleverd als onderdeel van het luchtkanalensysteem. Dit vergemakkelijkt en versnelt de aansluiting op de aanwezige verwarmingsinstallatie.

 

Voorstbescherming van de waternaverwarmer
De waterverwarmer is voorzien van een aparte, autonome warmhoudklep die een minimale temperatuur garandeert, ook als de ventilatie-unit is uitgeschakeld. Alle nominale waarden voor de waterverwarmer zijn in de Airlinq-besturing voorgeprogrammeerd. De waterverwarmer is hierdoor tegen vorst beschermd en

Energiemeter

Overzicht van het stroomverbruik van de ventilatie-unit


Alle ventilatie-units van Airmaster kunnen worden voorzien van een energiemeter die een nauwkeurig overzicht geeft van het stroomverbruik van de unit. Het stroomverbruik van de unit kan rechtstreeks van de display van de energiemeter worden afgelezen. Bij units met P-besturing kan het stroomverbruik ook met het programma Airlinq Service Tool op een pc worden afgelezen.

Automatische bypass

Automatische bypass

De Airlinq-besturing opent geleidelijk de bypass als de inblaastemperatuur het gewenste niveau overschrijdt. Koelere buitenlucht wordt buiten de tegenstroomwarmtewisselaar omgeleid, waardoor de gewenste inblaastemperatuur in stand wordt gehouden.

Airlinq past de inblaastemperatuur aan om een hoger koelvermogen te bereiken. Als de kamertemperatuur het gewenste niveau overstijgt, bijvoorbeeld door felle zon, wordt automatisch de bypass geopend.

Als samen met de ventilatie-unit een koelmodule wordt gemonteerd, wordt deze automatisch door Airlinq geactiveerd indien koeling met buitenlucht niet toereikend is. Wanneer de koelmodule in werking is, wordt de bypass nog steeds gebruikt om de inblaastemperatuur te regelen.

Nachtventilatie

Nachtventilatie

Wanneer de kamertemperatuur overdag het gewenste maximale niveau heeft bereikt, kunnen alle ventilatie-units van Airmaster het vertrek automatisch afkoelen m.b.v. de koudere nachtlucht. Dit wordt door de Airlinq-besturing geregistreerd, waarna de nachtventilatie automatisch in werking treedt. Indien nodig wordt zowel de bypassklep als de koelmodule gebruikt om het gewenste koelvermogen te bereiken. De ruimte koelt af en is de volgende ochtend goed geventileerd!

Koeling met koelmodules (CC)

Koeling met koelmodules (CC)

Bij een hoge buitentemperatuur zorgen de automatische bypassfunctie en de nachtventilatie ervoor dat de inblaas- en kamertemperatuur op het gewenste niveau blijven. Indien het koelniveau ontoereikend is, kan m.b.v. de koelmodule de temperatuur effectief worden verlaagd. Airlinq activeert automatisch de koelmodule die de temperatuur van de buitenlucht met maximaal 15°C kan reduceren. De afgekoelde buitenlucht wordt naar de ventilatie-unit geleid en de inblaas- en kamertemperatuur worden op het gewenste niveau gehouden.

Meld u aan voor onze nieuwsbrief

Loop belangrijke informatie over binnenklimaat, producten en nog veel meer van Airmaster niet mis. Meld u nu aan!